Snuiven. Dat is het
eerste wat ik doe als ik op een boerderij kom. Ik hou van die geur. Stro, mest,
voer, diesel. Er zijn er die het vinden stinken, I love it! En ik kom nogal
eens op een boerderij want twee zwagers en schoonpa zijn boer. Toen ik klein
was, wilde ik ook boer worden. Had mijn eigen overall en klompen en durfde in
een koeienvlaai te stappen. Nou, dan was je al bijna een boer. Maar boer word
je niet, boer bén je.
Jarenlang
vierde ik vakantie met mijn ouders op de Beerze Bulten. Het terrein schuurde
tegen het land aan van mijn toekomstige schoonvader. Hoezo, toevallig? Ik was
twaalf en het zou nog negen jaar duren voor ik mijn vrouw te zien kreeg. Op de
PABO kregen we verkering en onvermijdelijk komt dan het moment van kennismaking
met de potentiele schoonouders. De keuring. En natuurlijk waren alle zussen en
zwagers er ‘toevallig’ ook. ‘Hij is wel lang en hij praat wel onduidelijk
(Gronings)’.
Na
het eerste ongemakkelijke kopje koffie was het toch wel makkelijk dat ik er
was. Er was namelijk een mankement in de gierkelder. Ik kon mooi even helpen.
Zat er ergens nog een vraagteken in deze zin? Had ik überhaupt een keus? En zo
stond ik, amper een half uur na de kennismaking met mijn schoonfamilie, in een
stug ketelpak, letterlijk tot aan mijn nek in de stront. Dat durfde hij dan
weer wel; viel ze niets tegen. Had ik om hulp geroepen, ze hadden mij wellicht
niet verstaan maar ik heb het overleefd.
Niet
veel later werd ik, nog steeds enigszins gedesoriënteerd, op de trein gezet. Ik
voelde me Mozes. In elke coupé waar ik verscheen, deinsden mijn medepassagiers
achteruit. “Boer!” mompelde een nette dame. Yesss!
Bert Nonkes
Geen opmerkingen:
Een reactie posten