woensdag 16 augustus 2017

Even slikken..

Er zijn van die momenten waarop je iemand niet moet aanspreken. Zestien augustus 1979 was zo’n moment. Mijn vader was die middag, op z’n zachtst gezegd, niet aanspreekbaar. Die zomervakantie had ons gezin geen vakantie geboekt. Hetgeen opmerkelijk was omdat ik meestal rond advent al wist waar ik de bouwvak zou doorbrengen. Nee, dit jaar gingen wij op de bonnefooi. Naar Texel.

Ik herhaal: op de bonnefooi, naar Texel, in de bouwvak. Zelfs zonder internet moeten mijn ouders ergens geweten hebben dat dit een ‘Mission Impossible” zou worden. Een staaltje opportunisme dat je in de noordelijke provincies zelden tegenkomt. Vol goede moed ging onze Simca-Alpenkreuzer combinatie scheep en landde na een ruige reis van twintig minuten op Texel. Vanaf de boot kon ik de eerst bordjes “Vol!” al lezen. ‘Vol’ om aan te geven dat de camping vol was en het uitroepteken om aan te geven dat het zinloos was daarover in discussie te gaan. Dat zag ik aan de snelheid waarmee mijn vader terugkeerde van talloze recepties. Des te meer recepties wij zonder succes aandeden, des te roder werd het hoofd van mijn vader. Ik zweeg. Om erger te voorkomen. De zon was op zijn hoogste punt, de sinas was lauw, de broodjes klef en ik was misselijk. Voornamelijk omdat mijn vader in de auto rookte. Tegenwoordig word je daarvoor gevierendeeld, toen was dat heel normaal.”Ja, ons Bertje is wagenziek, altijd al geweest, heel gek.” Dus.
“We gaan naar huis!” Bulderde mijn vader, nijdig als een spin, eindelijk de zinloosheid van de missie inziend. Ik rekende snel de afstand en tijd Den Helder – Stadskanaal uit. 
En slikte nog maar es.

Bert Nonkes

woensdag 9 augustus 2017

Vakantie

Heerlijk, het is weer zover: Vakantie! We trekken er dan massaal weer op uit. Het inpakken en lijstjes afwerken is niet aan mij besteed. Als een kip zonder kop loop ik dagen te hamsteren en te treuzelen en de dingen bij elkaar te zoeken. Te vaak heb ik al iets vergeten en altijd neem ik teveel kleren mee of net de verkeerde.
Als ik op vakantie ben vind ik het heerlijk om lekker rustig te lezen en gewoon even niets te doen. Mijn kinderen hebben andere prioriteiten: kun je er voetballen, vissen, zwemmen en vooral: is er wel WiFi? Aangekomen op de camping voltrekt zich vaak het volgende scenario: kent u dat ook? Dat je gelijk welkom geheten wordt door de Joviale Buurman, die (terwijl je alles bezweet uitpakt en bedenkt dat de tandenborstels nog thuis liggen) precies weet waar je de lekkerste schnitzel kunt eten, wat de beste supermarkt is en die je ook meteen maar even uitnodigt op de borrel van het veldje. Ik houd het meestal eerst even af, maar aan Echte Kampeerders kun je niet ontkomen. Ze hebben een snoeppot op tafel waar alle kinderen van de camping altijd iets uit mogen pakken, en daar begint het dus al. Want er wordt gevraagd aan de kinderen wat hun ouders voor werk doen. En dat probeer ik juist te vermijden. Want zodra iemand door heeft dat ik leerkracht ben gaan de verhalen vaak eerst over hoeveel vakantie je dan wel niet hebt, totdat het overgaat in klachten over kinderen met rugzakjes, volle klassen, geen meesters en mondige ouders. En of het echt zo is dat de werkdruk zo hoog is. Ja, die is hoog. Daarom geniet ik juist zo van mijn vakantie. Eén keer heb ik bedacht dat ik zou zeggen dat ik bij de Hema werk. En juist in dat jaar kwam het eens niet ter sprake, zul je altijd zien. Eerst nu maar eens even opladen tijdens de vakantie. Ik wens alle diehard kampeerders, de luieraars, de thuisblijvers en all-inclusives een ontzettend fijne vakantie toe.
Karin van Dijk

woensdag 2 augustus 2017

Triatlon

Het is al weer een paar weken geleden maar we hadden op 8 juli in Hardenberg voor de tweede keer een triatlon. Het warme weer in juni had het Vechtwater al lekker opgewarmd en in de aanloop naar de dag kon ik al een paar weken zwemmen in de rivier. Ook van het wielrennen en hardlopen in en rondom Hardenberg word ik altijd blij, genietend van de prachtige omgeving waar ik woon waardoor het trainen ook makkelijker gaat. En met mij steeds meer mensen die het bewegen als een vorm van ontspanning ontdekken. Fijn om te zien dat steeds meer Vechtdallers vitaal willen worden en bewegen als middel hiertoe ontdekken.
Ik realiseer mij met het ouder worden steeds meer dat het niet vanzelfsprekend is om zomaar aan een triatlon mee te doen. Ik prijs mij erg gelukkig met een gezond lichaam en een gezonde geest. Dat dit niet vanzelfsprekend is maak ik in mijn werk dagelijks mee. Al meer dan dertig jaar vind ik het een uitdaging om mensen in beweging te houden of te krijgen.
Het is uitdagend om mee te mogen werken aan een proces van herstel, maar ook aan een proces waarbij ik weet dat er geen herstel mogelijk is. Zowel de patiënt die te horen heeft gekregen dat er een slopende ziekte bezit van hem heeft genomen als diegene die er van uit mag gaan dat het allemaal goed kan komen. Al deze mensen willen graag blijven bewegen en uitzoeken wat daarin de mogelijkheden zijn. De overwinning om zelfstandig de trap weer op te kunnen of voor de eerste keer met een rollator of rolstoel de stad in te gaan is vaak nog groter dan een sportprestatie. Het verdriet om te moeten accepteren dat het lijf niet meer doet wat je hoofd zo graag wil is een rouwproces waar een ieder die dit meemaakt doorheen moet. Maar als dit proces goed wordt doorlopen kunnen er toch weer mooie bewegingsmogelijkheden ontstaan.
Aan de Hardenbergse triatlon, die wat mij betreft een blijvertje is, hoop ik nog vaak te mogen meedoen. Dat sportverenigingen hierin elkaar kunnen vinden is natuurlijk geweldig. En de inzet van de vele vrijwilligers maakt dit ook tot een ambitieus project waar velen van kunnen genieten.
Door Henk Leemhuis

woensdag 26 juli 2017

'Nai'

Het is een fase, het is een fase, het is een fase… Het is de mantra die nu al een aantal weken dagelijks door mijn hoofd gaat, hand in hand met de pijn in mijn hoofd die veroorzaakt wordt door babygebrul. Dochter Babet van elf maanden heeft namelijk iets nieuws ontdekt; Mama uitdagen. Het is een heerlijk kind, dat altijd vrolijk is, maar met een enorm temperament. Als ze iets niet wil, dan wil ze het dus ook écht niet! En nu ze door heeft dat ze mij kan uitdagen, is het hek behoorlijk van de dam.

Tegelijkertijd is er de kennismaking met het woordje ‘nee’. Er zijn twee dingen in huis die ze niet mag op het moment; zand eten uit de pot van de grote plant, en stukjes boomschors van het bijzettafeltje peuteren en in haar mond stoppen. Uiteraard is er meer dat ze niet mag, maar dit zijn de dingen waarmee ik Babet leer dat niet alles kan, en dat er dus zoiets bestaat als ‘nee’. Om in de taal van Babet te spreken; ‘nai’. 

En ze begrijpt het al heel goed. Soms begint ze er om te lachen en dan kijkt ze me uitdagend aan bij haar tweede, derde en vierde poging. Maar vaker zet ze het meteen op een langdurig krijsen, wanneer ik nog maar amper de letter ’n’ heb uitgesproken. Laatst kroop ze al huilend en ’nai’-zeggend naar de grote plant, in de wetenschap dat ze iets deed wat niet mag. Haha, wat een fantastisch kind!


Nu heb ik besloten dat ik thuis blijf werken tot ze naar school gaat, maar dit soort dagen maken dat ik soms begin te twijfelen. Waar moet ik de tijd en vooral de energie toch vandaan halen! Maar dan zie ik haar weer lachen. Met dat heerlijke bekkie met de 4 scheve tanden, en die stralende ogen. Wat is ze lief, en wat is ze mooi… Ik hoop dat deze fase nog héél lang gaat duren!

woensdag 19 juli 2017

Nog altijd vrede

Toen ik in Kampen studeerde, liep ik als mijn band lek was - banden van studentenfietsen zijn dat doorlopend - de afstand naar de universiteit. Die wandeling, ik schat een kilometertje, is me bijgebleven. Wanneer je wordt gedwongen een route die je normaal in hoger tempo afwerkt als in een vertraagde film af te leggen, ga je meer zien, anders kijken.

Zo had ik te voet ontdekt dat er rond een bepaalde vijver een opmerkelijke toestand heerste. Terwijl in heel de Hanzestad het openbare groen keurig werd onderhouden, wist dat rond deze vijver op een of andere manier permanent aan de aandacht van het lokale ‘greenteam’ te ontsnappen.
Tussen de stoeptegels woekerde een keur aan grassen, in de rozenborders woekerde de paarse distel en in de spleten in de muurtjes langs de waterkant nestelde onduidelijk groen. Behalve ikzelf op ‘lekkebanddagen’, leek er nooit een mens te komen. Er heerste een plantaardig bewind, een soort landschap na de neutronenbom. Zal, vroeg ik me af, het er zo uitzien, nadat het is misgegaan? Het was 1980, hoogtij van de koude oorlog. De Russische SS-20 raketten werden tegengehouden door de bereidheid van de NAVO Pershing II kruisraketten te plaatsen. Bijna niemand die weet dat het in 1983 alleen dankzij de Russische held Stanislaw Petrov niet tot de derde wereldoorlog kwam… Het is goed gegaan, de Pershings kwamen er (bij ons) niet en de SS-20 verdween na 1987.
We zijn dertig jaar verder. Nog steeds is er geen bom gevallen. Als ik door Hardenberg rijd en ik zie de ‘greenteams’ noest bezig, denk ik soms: zal ik met ze afspreken dat ze ergens één plein of vijver overslaan. Zodat daar, tussen het beton, een grimmige, plantaardige stilte kan opschieten die ons er aan herinnert hoe broos vrede is?

woensdag 12 juli 2017

Laat los!

“Nee, dat is niet nodig, ik ga wel alleen.” Oké, die had ik even niet zien aankomen. “Zeker weten, jongen?” probeer ik nog, terwijl ik hem een knuffel geef. Hij klopt mij vaderlijk op de rug; wie bemoedigt wie nou eigenlijk?

Dit is zo’n loslaatmoment. Ik voel het. Eentje die ik had kunnen zien aankomen, had ik beter opgelet. Ik bedoel, hij is net geslaagd, met z’n klas naar Spanje geweest. Hij is gegroeid, zonder groter te worden, zonder dikker te worden.
Ik kende dat loslatingproces helemaal uit mijn hoofd, toen ik op de PABO zat. In theorie, althans. De praktijk leer je er niet bij. Moeders zijn daar veel geharder in, het loslaten begint immers al bij de bevalling. Wij mannen klossen daar als emotionele holbewoners mijlenver achteraan. Mijn eerste echte loslaatmoment was toen ik mijn jongste niet meer mocht voorlezen. “Nog één boek?” soebatte ik, vrezend dat ik mijn voorleesmomentje dreigde te verliezen. “Ik ben geen kleuter meer!” boorde mijn dochter mijn hoop de grond in.

“Nee, dat is niet nodig, ik ga wel alleen.” Jongste zoon wordt geopereerd en de verpleegkundige vertelt dat vader, desgewenst, mee mag de operatiekamer in, totdat hij onder zeil is. Maar dat is dus niet nodig. Dat loslaten, dat doet pijn, getuige de brok in mijn keel en mijn brandende ogen. Ach dokter, als we nou gewoon doen dat ik krijg wat hij heeft, dat we ruilen, zeg maar. Dat kan zeker niet, hè. Nee, dacht ik al. Bent u dan wel heel voorzichtig met hem? ’t Is mijn kind, ziet u. Dag zoon, je doet het goed, hoor! Nou, tja, dan ga ik maar es…

Zoon is herstellende van een kruisbandreconstructie en het gaat goed! Met vader, naar omstandigheden, ook...

woensdag 5 juli 2017

Geef mij nu je angst...


Die regel heb ik nooit begrepen in dat liedje van André Hazes. 'Geef mij nu je angst: ik geef je er hoop voor terug'. Hoop waarop? Hoop dat je die angst nooit meer zult hebben? Ik weet dat er mensen zijn die echt nergens bang voor zijn. Ze bestaan. Ik ken er een paar. En die begrijpen juist weer niet dat je ergens écht bang voor kunt zijn.Ik snap dat dan weer wel, want ik ben echt bang voor twee dingen: honden en de tandarts. Honden zijn voor mij de reden dat ik niet collecteer, niet alleen naar het park zal gaan, niet hardloop en dat ik standaard vraag wie er een huisdier heeft thuis. Dat sla ik gelijk op in mijn geheugen voor het geval dat ik daar op huisbezoek ga.



Angst vind ik ook wel interessant: je verstand weet heus wel dat je niet bang hoeft te zijn, rationeel kun je dat goed verklaren. En als een hondenbezitter zegt dat de hond echt nooit iets doet wil ik dat graag geloven, rationeel gezien. Maar dat gevoel hé, dat gevoel schakel je niet uit. Ik ga zweten, mijn hartslag verdubbelt en honden ruiken dat gelijk. De tandarts ruikt dat dan weer niet. Ik bedenk namelijk van tevoren welke kleding ik aan doe (iets van katoen) en ik spuit veel deo op. Ook neem ik standaard een paracetamol en een ibuprofen. En dan heb ik alleen nog maar een controleafspraak.

Rationeel gezien voel ik me schuldig. Want ik heb helaas mensen in mijn omgeving die echt hele nare medische behandelingen moeten ondergaan, dat is pas erg. En dan zit ik te zeuren over een tandartsbezoek… Toch maak ik er het beste van. Sinds mijn 18e koop ik altijd een gebakje na mijn tandartsbezoek, als beloning. Ik begrijp andere bangeriken ook heel goed. Ik haal dus ook spinnen weg voor anderen en ik neem de trap met iemand die niet in een lift durft. Want wij bangeriken, wij begrijpen elkaar. Het schept dus ook een soort van band. En dat is voor ons gevoel dan juist weer fijn, rationeel en relationeel gezien ;-) 






Karin van Dijk